Toru Takemitsu A Flock Descends into the Pentagonal Garden (1977)
Toshio Hosokawa Violin Concerto “Genesis” (2020)
—
Sergei Rachmaninov Symphony No. 2 in E minor, Op. 27 (1907)
21.03.2026 FLAGEY BRUSSEL
Ik wil zowel de Japanse traditie als de westerse innovatie volgen; beide muzikale stijlen tegelijkertijd handhaven is de kernfocus van mijn compositorische proces geworden. Het is een tegenstelling die ik niet wil oplossen – integendeel, ik wil dat de twee stijlen de strijd met elkaar aangaan. Ik wil een klank bereiken die net zo intens is als de stilte.
Toen de jonge Takemitsu in 1944 in een soldatenkamp verbleef en daar plots Debussy’s chanson Parlez-Moi d’Amour hoorde, sprak hij met zichzelf af dat hij na de oorlog componist zou worden. Hij volgde geen formele opleiding, maar leerde zichzelf componeren door een breed scala aan muziekstijlen te bestuderen, van Duke Ellington en Claude Debussy tot Olivier Messiaen en John Cage. De Japanse muziek liet hij aanvankelijk links liggen: ‘Toen ik besloot om componist te worden, wilde ik westerse muziek componeren. In die periode was alles wat Japans was voor mij ronduit verwerpelijk, ongetwijfeld als gevolg van de oorlog.’
Dat veranderde toen Cage hem wees op de waarde van zijn eigen culturele traditie. Gaandeweg omarmde hij zowel zijn oosterse roots als de westerse invloeden. Hij zag zichzelf als een brug tussen beide culturen: ‘Ik wil zowel de Japanse traditie als de westerse innovatie volgen; beide muzikale stijlen tegelijkertijd handhaven is de kernfocus van mijn compositorische proces geworden. Het is een tegenstelling die ik niet wil oplossen – integendeel, ik wil dat de twee stijlen de strijd met elkaar aangaan. Ik wil een klank bereiken die net zo intens is als de stilte.’
foto: Toru Takemitsu werd in januari 1960 door The Yomiuri Shimbun voorgesteld als een van de “gezichten van vandaag”
Naast een vijftigtal scores voor Japanse films componeerde Takamitsu een aanzienlijk repertoire voor piano, stem, kamermuziek en orkest. Net als zijn grote voorbeeld Debussy hecht hij daarin een groot belang aan klankkleur en subtiele klankeffecten. Zijn muziek klinkt poëtisch, vervuld van rijke akkoorden en nevelige melodieën. Zelf omschreef hij zijn werken als ‘ontvouwde schilderijenrollen’ en vergeleek hij het luisteren naar muziek met een wandeling door een Japanse tuin, waar alle verschillende texturen, vormen en details van de omgeving een samenhangend geheel vormen. ‘Elk afzonderlijk element dringt zijn individualiteit niet op, maar bereikt een staat van anonimiteit, en dat is het soort muziek dat ik wil creëren’, zo schreef hij.
Een sprekend voorbeeld van die filosofie is A Flock Descends into the Pentagonal Garden. Het is zijn bekendste orkestwerk, gecomponeerd in opdracht van het San Francisco Symphony Orchestra in 1977. Refererend naar een van de basisregels van de Japanse tuinen, waarbij enkel de getallen 3, 5 en 7 als basis mogen dienen, maakt Takemitsu vooral gebruik van pentatonische toonladders (reeksen van vijf tonen binnen een octaaf). Daarnaast bootst hij ook verschillende instrumenten uit de traditionele Japanse hofmuziek na met westerse varianten. Zo leunen de aangehouden beginakkoorden in de blazers aan bij het timbre van het Japanse mondorgel shō, terwijl de expressieve melodie in de hobo herinnert aan het traditionele Japanse dubbelrietinstrument hichiriki. En ook de toevalsmuziek van Cage is niet ver weg: in sommige passages worden de orkestgroepen verdeeld en krijgen ze de opdracht om korte muzikale passages naar eigen inzicht te herhalen. De dirigent behoudt wel nog de controle en geeft aan wanneer het orkest van de ene naar de volgende sectie overgaat.
Ik ben op zoek naar een nieuwe vorm van Japanse muziek, een vorm waarin ik trouw kan blijven aan mezelf en aan mijn wortels. De westerse cultuur speelt hierin een belangrijke rol.
Net als Takemitsu verbindt Hosokawa elementen uit de Europese avant-gardemuziek met de esthetische en spirituele basis van de traditionele Japanse cultuur: ‘Ik ben op zoek naar een nieuwe vorm van Japanse muziek, een vorm waarin ik trouw kan blijven aan mezelf en aan mijn wortels. De westerse cultuur speelt hierin een belangrijke rol.’ In zijn composities legt hij vooral de nadruk op het proces dat klanken doormaken: ze ontstaan, bestaan even en verdwijnen weer. En dat verdwijnen is voor hem net zo betekenisvol als het klinken zelf.
In 2020 componeerde Hosokawa een concerto speciaal voor violiste Veronika Eberle. Het was een geschenk ter ere van haar kersverse zoon Maxime. Hij gaf het de symbolische en veelzeggende titel Genesis mee:
‘In het concerto vertegenwoordigt de solist een mens, terwijl het orkest voorgesteld wordt als de natuur en het universum die hem omringen. Aan het begin herhaalt het orkest golfbewegingen die doen denken aan vruchtwater; uit het binnenste van die ‘wieg’ ontstaat vervolgens de melodische lijn van de soloviool (het leven), die zich verder ontwikkelt door melodieën in het orkest te imiteren, zich ervan los te weken, ermee in conflict te gaan, om dan uiteindelijk een harmonie binnen het orkest te bereiken en erin op te lossen.’
Het neerschrijven van een eerste symfonie is voor elke componist een symbolisch moment. Voor Rachmaninov ging deze gebeurtenis met nog meer druk gepaard na het overlijden van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski in 1893. Het publiek zag Rachmaninov namelijk als zijn grote opvolger. Jarenlang werkte hij aan zijn eerste symfonie, maar de première in 1897 was rampzalig: de aangeschoten dirigent Glazoenov zorgde naar verluidt voor een erbarmelijke uitvoering en de pers bestempelde de symfonie als ‘een evocatie van de zeven plagen van Egypte’. Rachmaninov bleef verlamd achter. Hij zakte weg in een depressie en zette drie jaar lang geen noot meer op papier: ‘Een verlammende apathie maakte zich van mij meester. Ik deed helemaal niets en vond nergens plezier in. De helft van mijn dagen bracht ik door op een bank. Ik had het opgegeven en verkeerde in grote wanhoop.’
Rachmaninov zocht hulp en vond die bij neuroloog Nikolai Dahl, die hem via hypnose van zijn componeerangst af hielp. In 1901 waagde hij zich aan een tweede pianoconcerto, en aangemoedigd door het succes ervan, ving hij in oktober 1906 zijn tweede symfonie aan. Rachmaninov was nog maar net met zijn gezin naar de rustige cultuurstad Dresden verhuisd, op de vlucht voor de aankomende revolutie. Zijn Symfonie Nr. 2 is een door en door romantisch werk, zowel qua vorm als karakter. Rachmaninov dirigeerde zelf de wereldpremière op 8 februari 1908. Het was een schot in de roos: publiek en critici loofden de lyrische melodieën en hun directe aansprekingskracht. En die lof klinkt vandaag nog steeds door: deze monumentale symfonie blijft een van de meest uitgevoerde werken van Rachmaninov.