Brussels Philharmonic | Festival Kortrijk: The Firebird

Festival Kortrijk: The Firebird

programmatoelichting

geschreven door AURÉLIE WALSCHAERT

Leoš Janáček The Fiddler's Child, JW 6/14 (1913)
Claude Vivier
Lonely Child (1980)
Igor Stravinsky
L'Oiseau de feu (1910)

[bekijk alle toelichtingen]

-----

23.02.2024 SINT-ELISABETHKERK KORTRIJK

The Firebird

Een arme vioolspeler die na zijn dood terugkeert om zijn zieke kind met zich mee te nemen, dat is het tragische verhaal achter The Fiddler's Child. Maar ondanks de droevige ondertoon laat Leoš Janáček (1854-1928) in zijn gelijknamige ballade voor viool en orkest ook ruimte voor hoop. Uit Lonely Child van Claude Vivier (1948-1983) weerklinkt dan weer een onstilbaar verlangen naar warmte en tederheid. Sopraan Lore Binon neemt de luisteraar mee naar de kinderkamer voor een sober maar indringend slaaplied. Het laatste woord in dit programma is aan de fantasie. Igor Stravinsky (1882-1971) brengt de magische sprookjeswereld uit De vuurvogel tot leven in een kleurrijke en tot de verbeelding sprekende compositie.

Een schrijnend tafereel

In 1912 kreeg Janáček de opdracht van Vilém Zemánek, de toenmalige dirigent van het Czech Philharmonic Orchestra, om een nieuw orkestwerk te componeren. Het werd The Fiddler's Child, JW 6/14, een ballade voor viool en orkest, gebaseerd op een gedicht van Svatopluk Cech, een van zijn favoriete schrijvers. Eind april stuurde Janáček de partituur naar Zemánek, met de vraag om twee repetities te voorzien voor de uitvoering die gepland stond op 15 maart 1914. Janáček zou de première zelf dirigeren. Maar al na de eerste repetitie besefte hij dat er nog werk was aan de partituur en liet hij de première uitstellen. Het zou tot 14 november 1917 duren voor The Fiddler's Child zijn eerste uitvoering kende, deze keer met Otakar Ostrčil als dirigent. De partituur werd wel al in 1914 gepubliceerd.

Het verhaal waarop Janáček zijn compositie baseerde is allesbehalve vrolijk: nadat een arme vioolspeler overleden is, wordt zijn zieke kind samen met zijn viool toevertrouwd aan een oude vrouw. Op een nacht droomt ze dat ze de muziek van de vioolspeler hoort en hem naast het bed van het kind ziet staan. De volgende ochtend ontdekt de burgemeester van het dorp het levenloze lichaam van het kind en is de viool verdwenen. Janáček liet zijn verbeelding op het verhaal los en paste het hier en daar aan. Zo geeft het droevige openingsdeel een beeld van de nog levende rondtrekkende vioolspeler en is zijn kind al doodziek nog voor de man sterft. De oude vrouw komt in Janáčeks versie niet aan bod. De burgemeester krijgt dan weer een prominentere rol: doorheen de compositie wordt hij steeds sterker als boosdoener afgeschilderd – Janáčeks manier om uiting te geven aan zijn sympathie voor de underdogs in de samenleving.

Verlangen naar tederheid

Ook het leven van Claude Vivier was niet bepaald rooskleurig: de Canadese componist ging zijn hele leven lang gebukt onder de gevolgen van misbruik en de zoektocht naar zijn biologische ouders. Bovendien kwam zijn leven op 35-jarige leeftijd abrupt tot een einde na een gruwelijke daad van homofoob geweld. Die tragiek staat in schril contrast met de radicale soberheid en eenvoud die hij nastreefde in zijn composities. Zo goed als zijn hele oeuvre is autobiografisch en heeft de liefde, dood en eenzaamheid als leidmotieven:

‘Wanneer ik schrijf, denk ik vooral aan de eenzame wezens die wij allen zijn. Ik denk dus niet langer aan de toekomst noch aan het verleden, maar meer aan een soort verdwenen heden, een ontastbare vreugde die is vermengd met het verdriet van een kind dat zijn moeder kwijt is.’

Dat verlangen naar moederlijke warmte spreekt uit Lonely Child, de meest persoonlijke compositie die Vivier ooit schreef. In dit werk voor sopraan en kamerorkest, in 1980 gecomponeerd in opdracht van het CBC Vancouver Chamber Orchestra, stelt een moeder haar kind gerust voor het slapengaan: ‘Bel enfant de la lumière dors, dors, dors, toujours dors. Les rêves viendront, les douces fées viendront danser avec toi.’ Woorden, deels in het Frans, deels in een zelf uitgevonden taal, die Vivier wellicht zelf als kind had willen horen.

Lonely Child is opgebouwd volgens de compositorische techniek die Vivier ‘les couleurs’ noemde: ‘Ik verwerkte de hoofdmelodie in vijf ‘geïntervaliseerde’ melodische fragmenten – door onder elke noot een andere noot toe te voegen, ontstaan intervallen: tertsen, kwinten, kleine secundes, grote secundes, enzovoort. Als je de frequenties van elk interval met elkaar optelt, creëer je een bepaald timbre. Bijgevolg zijn er geen akkoorden meer en wordt het hele orkest getransformeerd in een klankkleur. De ruwheid en intensiteit van deze klankkleur hangt af van het basisinterval. Muzikaal gezien hoefde ik maar één ding te sturen, dat automatisch, op de een of andere manier, de rest van de muziek zou bepalen, namelijk geweldige kleurzuilen!

De langzame melodie, de dense klanksluiers en een rijk scala aan colorieten roepen een wereld op die tussen realiteit en fictie lijkt te zweven. De gongslagen, een herinnering aan Viviers maandenlange reis door Bali, verlenen het werk dan weer een ritueel karakter. Naast een samenvatting van zijn muzikale persoonlijkheid, is Lonely Child vooral een emotioneel en spiritueel zelfportret. ‘Een lang lied van eenzaamheid’, zoals Vivier het zelf omschreef.

Magische sprookjeswereld

Minstens even kleurrijk als Viviers spectrale muziektaal is de sprookjeswereld die Stravinsky in De vuurvogel oproept. Stravinsky componeerde de muziek op vraag van Sergej Diaghilev, de impresario van het beroemde Les Ballets Russes. Het werk zou tijdens het volgende seizoen van het gezelschap in première gaan, op een choreografie van Michel Fokine. Stravinsky nam de opdracht aarzelend aan, nog onwetend dat dit werk zijn carrière als componist zou lanceren.

De langverwachte creatie van het ballet vond plaats in Parijs op 25 juni 1910, onder leiding van Gabriel Pierné. Diaghilev had het werk aangekondigd als ‘het eerste Russische ballet, iets wat nog niet bestaat’, en tegen Tamara Karsavina, die de hoofdrol zou dansen, zei hij vooraf: ‘Let maar op, daar staat een man aan de vooravond van de roem’. En zo geschiedde. L’Oiseau de feu mocht dan niet zo baanbrekend en radicaal vernieuwend zijn als Petroesjka en later nog Le Sacre, maar het wonderlijke spel van orkestkleuren en effecten betoverde het publiek en zorgde voor Stravinsky’s eerste echte triomf in het Parijse milieu. Critici waren extatisch en prezen het ballet om de perfecte symbiose tussen decor, choreografie en muziek.

In 1911, 1919 en 1945 herwerkte Stravinsky het volledige ballet tot drie kortere orkestsuites waarin het Russische sprookje doorschemert. De versie uit 1919 wordt het vaakst uitgevoerd en vangt aan in de tuin van de onsterfelijke tovenaar Katsjei. Daar slaagt prins Ivan er na enkele verwoede pogingen in om een prachtige vuurvogel te vangen. In ruil voor zijn vrijheid schenkt de vogel hem een magische veer waarmee hij de dansende prinsessen uit de handen van Katsjei kan bevrijden. De muziek in de orkestsuite volgt het verhaal, van donkere, onheilspellende muziek, over een volkse rondedans tot een zacht wiegelied. Hoorngeschal bouwt op tot een heroïsche climax: de held zegeviert, en Ivan en zijn prinses leven nog lang en gelukkig.