Felix Mendelssohn Meeresstille und glückliche Fahrt, op. 27 (1828)
Ludwig van Beethoven Pianoconcert nr. 3 in c, op. 37 (1800)
—
Robert Schumann Symfonie nr. 3 in Es, op. 97 "Rheinische" (1850)
12.02.2026 FLAGEY BRUSSEL
Er loopt een rechte lijn tussen de drie componisten. Schumann zou Mendelssohn in 1844 opvolgen als kapelmeester in Leipzig – maar greep uiteindelijk naast die begeerde post. En Mendelssohn baseerde zich voor zijn concertouverture Meeresstille und glückliche Fahrt op zijn beurt op een eerdere cantate van Beethoven.
Daarin bezingt het koor, op teksten van Goethe, twee verschillende gemoedstoestanden van een schipper. Verschillend, want voor een matroos uit de vroege negentiende eeuw, waren een stille zee en een voorspoedige vaart allerminst synoniem. Een rimpelloos watervlak betekende immers windstilte, wat het voor zeilschepen onmogelijk maakte om uit te varen. Pas na de uitvinding van de stoomboot kreeg een spiegelgladde oceaan de voorkeur.
In de oorspronkelijke tekst klinkt dan ook angst en wantrouwen. De protagonist is bekümmert, “Keine Luft von keiner Seite! Todesstille fürchterlich” (Geen lucht van gene zijde! Een vreselijke, dodesstilte!) Hij is vooral bezorgd. De uitroeptekens zetten zijn paniek alleen maar meer in de verf.
In de instrumentale, orkestrale interpretatie van Mendelssohn probeert de componist dat idee ook te verklanken. Het openingsdeel begint bescheiden, bijna bewegingsloos. Met strijkers die lange tijd op dezelfde toonhoogte blijven hangen “hij zweeft hier en daar en trilt, nauwelijks hoorbaar,” liet de componist zelf optekenen. “Het geheel beweegt traag ... met zware verveling.” Maar onder die schijnbare lusteloosheid, komt wel dreiging uit de kopersectie, en uit een harmonisch verloop dat slepend vooruit schuifelt en daardoor niet lijken op te lossen. Pas in het tweede deel klinkt het orkest, jubelend en met vaart, in volle sterkte.
In zijn Derde Pianoconcerto schippert Beethoven evengoed tussen rust en opwinding. De twee buitendelen van dat werk zijn een grandioos ‘allegro con brio’ en een snedig ‘Rondo. Allegro’. Daartussen bevindt zich, in de woorden van musicoloog Herbert Glass “een oase van kalmte (…) met de zangerige uitgestrektheid van de pianomelodie, begeleid door gedempte strijkers, waarna de piano-arpeggio's zich om het thema heen krullen, dat nu door strijkers en houtblazers wordt gespeeld.” Net als bij Mendelssohn, zijn het ook hier dus vooral de bedeesde strijkers die het stuk een ingetogen karakter geven.
Bij Beethoven echter geen goede vaart als tegengewicht, hier wordt de kalmte uitgebalanceerd met virtuoze solopassages. Het Derde Pianoconcerto wordt gezien als een kantelpunt voor de componist. Het is het eerste stuk (binnen dit genre) waar hij los durft komen van mozartiaanse invloeden, en nadrukkelijker zijn eigen, vrijer evoluerende compositiestijl durft te tonen. Hij breekt uit de strikte structuren van het classicisme en positioneert het concerto meer dan eens als een spetterend uitpakwerk voor solisten.
Die rol nam Beethoven trouwens zelf op zich bij de première van de compositie in 1803. Ten minste ten dele uit noodzaak. De partituur was op dat moment niet meer dan een kladwerk. “Niets dan lege bladzijden,” getuigde zijn student en blaadjesdraaier-in-kwestie Ignaz von Seyfried. “Hoogstens stonden hier en daar een paar Egyptische hiërogliefen gekrabbeld die ik totaal niet begreep, maar die voor hem als aanwijzingen dienden; hij speelde namelijk bijna de hele solopartij uit zijn hoofd, omdat hij, zoals zo vaak het geval was, geen tijd had gehad om alles op papier te zetten.”
Net als Mendelssohn hijst ook Robert Schumann het zeil in top, al is zijn vaart van een andere aard: geen excursie op open zee, maar een riviercruise. Schumanns Derde Symfonie, de “Rheinische” ontstond in 1850, kort na zijn aanstelling als muziekdirecteur in Düsseldorf – een van de zeldzame periodes van stabiliteit en geluk in Roberts leven. Die nieuwe professionele erkenning werkte bevrijdend. In amper enkele weken tijd zette Schumann een van zijn meest opgewekte en energieke symfonieën op papier.
Meteen een tweede verschilpunt met Mendelssohn. Hier wordt minder opzichtig gebalanceerd tussen wanhoop en bevrijding, Schumann blijft doorheen het hele werk opgewekt en kwiek. Trage delen zijn met benamingen als ‘Sehr Mässig’ en ‘Nicht schnell’ uiteraard geen vluggertjes, maar de componist vermijdt zo een nog loggere benaming als lento. Ook het langzame vierde deel krijgt een (zij het plechtig) ‘feierlich’ (feestelijk) karakter. Al zijn de aanduidingen bij de buitenste delen nog het meest veelzeggend. Tot twee keer toe verwacht Schumann een vertolking die ‘Lebhaft’ is: levendig.
Het is die overweldigende vitaliteit die bijblijft, en waarmee de componist zijn eigen indrukken in het Rijnland heeft willen vatten. Niet in het minst zijn allereerste bezoek aan de toen nog onvoltooide Dom in Keulen. Zijn ervaring daar was de belangrijkste katalysator om deze symfonie neer te pennen. Een dag later al stonden de eerste ideeën op notenpapier.
Ondanks die aantoonbare inspiratiebron is deze “Rheinische” toch geen programmamuziek. De componist vermijdt letterlijke verklankingen van taferelen langs de rivieroevers. Hij was er als de dood voor dat zijn muziek zou herleid worden tot een reeks schilderachtige beschrijvingen. Wat hij wél nastreefde, was het vastleggen en opnieuw opwekken van de emoties die hij zelf langs de rivier had gevoeld. “Hoe composities ontstaan, doet weinig ter zake,” zei Schumann er zelf over. “Dat weten componisten vaak zelf niet eens. Vaak leidt een beeld van buitenaf ons verder, even vaak roept een muzikaal motief weer een volgend idee op. Hoofdzaak blijft dat er goede muziek uit voortkomt die ook puur als muziek weet te bevredigen.”
Dat is in dit programma drie keer ontegensprekelijk het geval. Want hoe maritiem deze composities ook mogen lijken, ze zijn ook zonder zeemansbenen zeker te appreciëren.