Matinee: Dvorák 8 | Brussels Philharmonic

Matinee: Dvorák 8

PROGRAMMATOELICHTING

geschreven door AURÉLIE WALSCHAERT

Richard Wagner Siegfried Idyll, WWV 103 (1870)
Antonín Dvořák Symfonie nr. 8 in G, op. 88 (1889)*

*ontdek deze symfonie ook op zaterdagavond 23.05: Dvořák 8

[bekijk alle toelichtingen]

-----

24.05.2026 FLAGEY BRUSSEL

Beeld je in: het is je verjaardag en ‘s ochtends vroeg word je gewekt door warme klanken. Ze klinken nog veraf, als in een droom, maar gaandeweg komt de muziek steeds dichterbij. Het overkwam Cosima Wagner, de vrouw van componist Richard Wagner (1813-1883), op 25 december 1870. Speciaal voor deze feestelijke dag had Wagner een symfonische verjaardagswens gecomponeerd. Om het hele gebeuren extra bijklank te geven, had hij een klein orkest op de trap van hun woning verzameld. Over een romantisch cadeau gesproken.
Ook de achtste symfonie van Antonín Dvořák (1841-1904) dankt haar ontstaan aan een vreugdevolle gebeurtenis. De Tsjechische componist schreef het werk ter ere van zijn benoeming aan de Boheemse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Kunsten. Tijdens het componeren verbleef hij in zijn geliefde buitenhuis in het dorpje Visoka, net buiten Praag, en dat ontspannen gevoel klinkt door in de symfonie. Het is optimistische en vrolijke muziek, waaruit Dvořáks bewondering voor de schoonheid van de natuur en de slavische volksmuziek blijkt.

Een intieme idylle

Wagner componeerde zijn Siegfried Idylle tijdens wat hij als een van zijn gelukkigste levensjaren omschreef. Op 6 juni 1869 was hij voor de derde keer vader geworden, deze keer van een zoon: Siegfried. Later die zomer was hij ook getrouwd met de moeder van die zoon, Cosima Liszt. Al dat geluk vroeg om een bijzonder geschenk. Hij vatte het plan op om een ‘symfonisch verjaardagsgedicht’ te componeren. Voor de uitvoering sprak hij af met een vijftiental muzikanten van het orkest in Zürich; zij installeerden zich de ochtend van Cosima’s verjaardag in alle stilte in de trappenhal van hun woning om haar op een bijzondere manier te wekken.

De oorspronkelijke titel van het verjaardagsgedicht luidde: ‘Tribschener Idyll mit Fidi-Vogelgesang und Orange-Sonnenaufgang, als Symphonischer Geburtstagsgruss. Seiner Cosima dargebracht von Ihrem Richard’. Een hele mond vol, waarmee Wagner verwees naar het vogelgefluit en de gloedvolle zonsopgang tijdens de geboorte van hun zoon Siegfried – Fidi was zijn koosnaam – in hun geliefde landhuis Tribschen. In de romantische compositie klinken dan ook echo’s van vogelzang en een lieflijk slaapliedje. Wagner verwerkte later enkele fragmenten uit deze idylle in zijn opera Siegfried, het derde luik uit zijn operatetralogie Der Ring des Nibelungen.

Een zonnige ode aan het leven

In Dvořáks achtste symfonie klinkt het orkest in haar volle kracht. Dvořák componeerde het werk in de herfst van 1889 terwijl hij ver van het drukke Praag midden in de Boheemse natuur verbleef. Zijn achtste symfonie zou anders zijn dan de vorige, ‘met individuele ideeën die op een nieuwe manier uitgewerkt zouden worden’, zo schreef hij. Thema’s en melodieën volgen elkaar in sneltempo op en zorgen door hun fragmentarische karakter voor het doorbreken van de strakke vierdelige opbouw van een symfonie.

De volledige symfonie is een uitbundige en kleurrijke ode aan het leven, en dat lag mogelijk aan de vele onderscheidingen die de componist net ontvangen had. Zo was hij net benoemd aan de Boheemse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Kunsten door Keizer Franz Joseph en hadden de universiteiten van Praag en Cambridge hem bekroond met de titel van eredoctor. Ook Dvořáks liefde voor de natuurpracht is bijna over het hele werk aanwezig. Dat is onder andere te horen in de vele imitaties van vogelgeluiden, van koerende duiven tot een leeuwerik die de dageraad aankondigt. Van zonnige plattelandstaferelen gaat het naar een groots volksfeest, dat in de finale uitmondt in een wervelende dans met een hoofdrol voor de koperblazers. Over de trompetfanfare die de finale opent, zei de Tsjechische dirigent Rafael Kubelík de veelzeggende woorden: ‘In Bohemen roepen de trompetten nooit op tot de strijd – ze nodigen altijd uit tot de dans.’