Kaija Saariaho Vista (2019)
Benjamin Britten Four Sea Interludes from Peter Grimes, op. 33a (1944)
Jean Sibelius Symfonie nr. 7 in C, op. 105 (1914-1924)
Beyond The Score concept door Gerd Van Looy (artistieke coördinatie), Vera Vacallin & Christophe Albertijn (sound art)
03.12.2026 FLAGEY BRUSSEL
06.12.2026 FLAGEY BRUSSEL
De Finse componiste Kaija Saariaho (1952-2023) hóórde niet alleen muziek; ze zág de klanken ook voor zich. ‘Voor mij zijn de visuele en muzikale wereld één. [...] Verschillende zintuiglijke prikkels, kleurtinten, lichttexturen en -gradaties, en zelfs geuren en klanken vermengen zich in mijn geest’, zo vertelde ze ooit in een interview. In Vista nodigt ze de luisteraar uit in haar kleurrijke muzikale universum, om het zicht op de oceaan tussen Los Angeles en San Diego te horen én te zien. Ook Benjamin Britten (1913-1976) toont in zijn Four Sea Interludes verschillende facetten van de zee: de ene keer bij het krieken van de dag, dan weer op een rustig kabbelende zondagochtend, bij maanlicht of middenin een storm.
Het oeuvre van Jean Sibelius (1865-1957), de godfather van de Finse muziek, is dan weer een ode aan de prachtige landschappen van zijn geboorteland. Al is er van natuurschildering weinig sprake in zijn zevende en laatste symfonie. Die is vooral het resultaat van een zuiver muzikale queeste naar een nieuwe symfonische vorm. Het werk is één lange, fantasierijke beweging in do majeur, een toonsoort waar je blik als luisteraar steeds weer naartoe gezogen wordt.
Toen Saariaho in 2019 tijdens een nachtelijke rit na een concertreeks van Los Angeles naar San Diego onderweg was, stopte ze verschillende keren om van het uitzicht op de oceaan te genieten. ‘Later besefte ik dat de meeste van die plekken 'vista's' heten. Omdat ik ook letterlijk voelde dat nieuwe muziek mijn geest binnenstroomde en de deur openzette voor nieuwe ideeën voor het stuk, begon ik het simpelweg Vista te noemen’, lichtte ze toe. Gaandeweg kreeg de muziek meer vorm in haar hoofd, en bij haar terugkeer in Parijs zette ze zich aan het componeren. Ze had nog maar net haar vijfde opera Innocence afgewerkt, en boog zich nu bewust over een orkestwerk, om ‘puur op de orkestrale klank te kunnen focussen en niet over de balans tussen stemmen en de uitwerking van verschillende karakters te moeten nadenken’.
Voor deze nieuwe orkestcompositie legde Saariaho zichzelf wel een nieuwe uitdaging op: ze liet de harp, piano en celesta weg – drie instrumenten die in haar voorgaande composities steeds een verbindende rol gespeeld hadden. Op die manier verplichtte ze zichzelf om naar nieuwe klankkleuren en texturen in het orkest op zoek te gaan en creëerde ze meer ruimte voor de individuele klankwerelden van de houtblazers. Al van bij de start had ze een tweeledige, contrasterende structuur voor ogen. Daarbinnen maakt ze gebruik van hetzelfde muzikale materiaal, maar dan telkens anders ingezet. Zo dient zich in Horizons een wijds en rustig panorama aan, gebaseerd op fijne lijnen en texturen, terwijl het tweede deel, Targets, telkens nieuwe energetische combinaties in beeld brengt.
Drie jaar nadat Britten zijn thuisland ontvlucht was voor de dreigende oorlog en een vijandige muziekpers, zette hij in 1942 opnieuw voet aan wal in Engeland. Nog eens drie jaar later voltooide hij Peter Grimes, de opera waarmee hij zijn naam internationaal zou vestigen. Het verhaal, gebaseerd op het 19e-eeuwse gedicht The Borough van George Crabbe, speelt zich af in een vissersdorp dat sterk lijkt op Brittens eigen woonplaats aan de kille, grimmige Noordzeekust. Het hoofdpersonage Peter Grimes is een buitenstaander die niets liever wil dan te ontsnappen aan de roddels van de andere bewoners. Hij hoopt voldoende geld bij elkaar te sparen om weduwe Ellen Orford te huwen en zo een einde te maken aan zijn miserabele leven. Maar zijn trots en ongecontroleerde woede staan hem in de weg.
Uit de zes orkestrale tussenspelen van de opera koos Britten er vier die hij bundelde tot een zelfstandige suite. Samen vormen ze een psychologische karaktertekening van de zee, als spiegel van Grimes’ woelige binnen- en buitenwereld. Waar Dawn het landschap schetst waartegen het verhaal zich afspeelt, kondigt het vrolijke Sunday Morning het open water aan als een plek waar Grimes zich vrij kan voelen. Maar die rust is van korte duur. In het duistere Moonlight zwellen zacht pulserende golven en regendruppels aan tot een krachtige storm. In het slotdeel verklanken luide koperblazers en slagwerk Grimes’ innerlijke en uiterlijke strijd. De tragedie is onafwendbaar: het dorp verdenkt hem van de dood van zijn leerjongens; hij gaat uiteindelijk ten onder.
Na een eerste melding van een zevende symfonie in december 1917 – dan nog een werk in drie delen, met een ‘Helleens rondo’ als afsluiter – liet Sibelius op 2 maart 1924 weten klaar te zijn met zijn Fantasia sinfonica I. Ook tijdens de première op 24 maart 1924 in Stockholm bleef hij deze compositie bewust een ‘symfonische fantasie’ noemen, omdat hij eraan twijfelde of een werk in één ononderbroken beweging wel de naam ‘symfonie’ verdiende. Pas na de tweede uitvoering kwam hij tot de conclusie dat dit werk in wezen echt wel voldoende kenmerken van een symfonie vertoonde, en zo bracht hij de compositie in 1925 dan toch uit als Symfonie nr. 7 in C majeur (in één beweging), op. 105.
Sibelius had eerder al geëxperimenteerd met het samensmelten van symfonische delen. Zo voegde hij in zijn derde symfonie de twee laatste delen samen, en in zijn vijfde de twee eerste bewegingen. In de Zevende drijft hij dat proces tot het uiterste. Een langzame beweging, scherzo, sonatevorm, rondo en een grootse symfonische coda smelten samen onder één ononderbroken spanningsboog. Toch klinkt de symfonie niet als een amorfe massa: duidelijke scharnierpunten markeren de onderliggende structuur, telkens aangegeven door wisselingen tussen do majeur en do mineur en subtiele tempoveranderingen. Daarnaast herbevestigt een breed, hymnisch trombonethema telkens opnieuw de hoofdtonaliteit do majeur, als een extra baken voor de luisteraar.