Joan Tower Sequoia (1981)
Camille Pépin Les Eaux célestes (2022)
Igor Stravinsky Petrushka (versie 1947)
24.04.2026 FLAGEY BRUSSEL
26.04.2026 FLAGEY BRUSSEL
Het is een uitspraak die je vast al in Amerikaanse films hebt gehoord. Meestal komen de woorden uit de mond van een bonkige cowboy of sheriff, en is de setting een halflege diner langs een grotendeels verlaten highway naar the middle of nowhere. Een plek waar de tijd wat heeft stilgestaan. Want het bedankinkje mag dan nog zo goedbedoeld, zelfs vriendelijk lijken. De woorden klinken vandaag de dag toch wat gedateerd en betuttelend. Er schuilt een zeker dedain achter die “poppemie.” In dit concert worden de genderrollen omgedraaid. Met Stravinsky’s Petrouchka zijn het dit keer immers de mannen die in de poppenkast staan, geflankeerd door twee werken van vrouwelijke componisten.
Al moeten we misschien maar meteen benadrukken dat we best niet te veel belang aan het geslacht van de makers hechten. “Ik hoop dat ik niet als vrouw maar als componist een unieke esthetiek in mijn muziek binnenbreng,” vertelt componiste Joan Tower in een interview. “Ik kan alleszins zelf het verschil niet horen tussen muziek die door een man of door een vrouw geschreven is.” En ook Camille Pépin stelt duidelijk: “Je moet ons niet programmeren omdat we vrouwen zijn. Je moet ons programmeren omdat onze werken overtuigend en interessant zijn.”
De muziek dus. Overtuigend en interessant is die in dit programma zeker. Het zijn vooral drie erg beeldrijke, narratieve werken bij elkaar. Petrouchka is daar als balletmuziek het duidelijkste voorbeeld van. Met zijn partituur wil Stravinsky het verhaal over de tot leven gewekte pop verklanken en de bijhorende danspassen voor Les Ballets Russes illustreren. Hij baseert zijn melodieën op die van volkswijsjes om zo de scènes in plaats en tijd te situeren. Zo kan een oplettend luisteraar door het gebruik van het “lied van de Volochobniki” wel deduceren dat het ballet zich in Sint-Petersburg afspeelt.
Daarnaast hangt de componist ook een terugkerend motief vast aan zijn hoofdpersonage, het zogenaamde Petrouchka-akkoord. Om dat op te bouwen legt de componist de drieklanken van do groot en fa kruis groot boven elkaar, en krijg je dus een akkoord dat bestaat uit de noten do#-fa#-la#-mi-sol-do. Omdat er tussen do en fa kruis een tritonus – het duivelsinterval – zit, heeft dat akkoord een onheilspellende, spottende, venijnig dreigende klank.
Maar ook de twee andere werken op dit programma zijn niet louter abstracte muziek, dat wil zeggen geen stukken waar geen buitenmuzikale inspiratie aan de bron ligt. Les Eaux Célestes van Camille Pépin bouwt voort op de traditie van het symfonische gedicht, waar vooral Richard Strauss in de negentiende eeuw de belangrijkste pleitbezorger van was. Daarin is het de bedoeling om puur muzikaal (dus zonder bijkomende hulp van enscenering of choreografie) iets uit te beelden. Strauss schetste zo bijvoorbeeld de natuur (Ein Alpensinfonie), literaire werken (Don Juan, Also Sprach Zarathustra) en zelfs de doodstrijd (Tod und Verklärung) in zijn partituren.
In Les Eaux Célestes vertelt Camille Pépin in vier delen de Oosterse legende over Orihime, de weversdochter van de hemelgod, en de sterrenhoeder Hikoboshi. Ook zij doet dat door motieven aan de hoofdpersonages te linken. Ging het bij Stravinsky om een akkoord (een harmonisch motief) dan kiest Pépin ervoor om twee verschillende melodieën te gebruiken. De eerste, F#–E–F#–D–E–C#–F# refereert naar Nuages van Claude Debussy en verwijst door dat intertekstuele spel naar de wolkenweefster. Het tweede motief (E–F#–A–B–C#) staat voor haar geliefde Hikoboshi.
Maar net als Stravinsky gaat Pépin nog een stap verder. Het volstaat niet om de belangrijkste karakters in noten te vangen. Ze wil met haar schrijven ook duidelijk maken waar de handelingen plaatsvinden. Dat doet ze door gebruik te maken van een pentatonisch systeem, in tegenstelling tot onze Westerse heptatoniek (waarbij een toonladder bestaat uit zeven noten). Die pentatoniek is veel couranter in de traditionele muziek uit China en Japan, waar deze mythe oorspronkelijk vandaan komt. Daarnaast gebruikt Pépin ook instrumenten die associaties met het Verre Oosten oproepen, zoals de marimba, de gong en de celesta, en gebruikt ze typische cellulaire ritmes die courant zijn in vormen van Chinees theater, zoals Xiqu.
Sequoia is van de drie het minst uitgesproken programmatische werk. Al ligt met zo’n titel een knipoog naar het arboretum wel opnieuw voor de hand. Voor Tower was het echter niet de bedoeling om letterlijk, picturaal naar de roodstammige mastodonten te verwijzen. Voor de componiste was die titel eerder een referentie naar de balanceeract die de natuur uitoefent om die bomen zo enorm de hoogte in te doen schieten. Voor haar eigen werk probeerde ze een gelijkaardig muzikaal evenwicht na te streven. “Lang geleden al,” zo zegt ze, “besefte ik al dat Beethoven op een bepaald moment in mijn werk zou terugkomen. (...) Hoewel mijn eigen muziek op geen enkele voor de hand liggende manier op die van Beethoven lijkt, is er een basisidee in terug te vinden dat van hem afkomstig is: het ‘in evenwicht brengen’ van muzikale energieën.”
Maar zelfs als de titel niet uitbeeldend bedoeld is, kan je als luisteraar niet anders dan de link met de machtige boom leggen. Sequoia is een magistraal, bij momenten luidruchtig werk. Net zoals de imposante, hoog opgeschoten stammen ook hun plaats in het landschap claimen. Door het werk deze titel te geven, hoor je de grandeur van die bomen.
Dit zijn, kortom, drie werken waarin muziek meer mag zijn dan een louter abstract spel van klanken. Elk op hun manier gebruiken Stravinsky, Pépin en Tower muzikale middelen om iets tastbaars op te roepen: een personage, een mythische ruimte, een fragiel evenwicht van krachten. Petrouchka mag dan een marionet zijn, maar eigenlijk wordt de compositie in al deze gevallen een soort poppenkast, waarin de componisten met hun klanken de touwtjes in handen nemen.