Edward Elgar Vioolconcert in b, op. 61 (1909)
—
Johannes Brahms Symfonie nr. 4 in e, op. 98 (1885)
10.12.2026 DE BIJLOKE GENT
11.12.2026 FLAGEY BRUSSEL
Na een moeizame start als componist brak de Brit Edward Elgar (1857-1934) in 1899 definitief door met het orkestwerk Enigma Variaties. Ook zijn eerste symfonie oogstte meteen veel lof: na de première op 3 december 1908 werd de compositie wereldwijd zo’n honderd keer uitgevoerd, en dat in nog geen jaar tijd. Het werd zelfs vergeleken met de symfonieën van Johannes Brahms (1833-1897), een van zijn grote voorbeelden. Twee jaar later bracht Elgar een vioolconcerto uit, en ook dat bleek een instant succes. ‘Het is goed! Vreselijk emotioneel! Te emotioneel, maar ik hou ervan’, verklaarde hij.
Zo zelfzeker als Elgar was over zijn concerto, zo vertwijfeld was Brahms nadat hij zijn vierde symfonie op piano had voorgespeeld aan enkele dichte vrienden. Omdat positieve reacties uitbleven, dacht hij er even aan om enkel de finale als afzonderlijk concertstuk uit te brengen. Gelukkig bleef hij bij zijn oorspronkelijke idee, want in zijn vierde symfonie toont Brahms zich aan het toppunt van zijn kunnen.
Ik zeg dit niet om iemand een plezier te doen; het is mijn eigen overtuiging… Ik plaats hem op gelijke voet met mijn idolen, Beethoven en Brahms (…) Ik zou willen dat Elgar iets voor de viool zou schrijven.
Elgar was zelf een begenadigde vioolspeler, en dus lag het voor de hand dat hij voor zichzelf een concerto zou componeren. Hij begon eraan in 1890, maar vernietigde uiteindelijk het manuscript, ontevreden over het resultaat. Het was pas nadat violist Fritz Kreisler in 1905 zijn bewondering voor de componist had geuit, dat hij overwoog om de draad terug op te pikken. ‘Ik zeg dit niet om iemand een plezier te doen; het is mijn eigen overtuiging… Ik plaats hem op gelijke voet met mijn idolen, Beethoven en Brahms (…) Ik zou willen dat Elgar iets voor de viool zou schrijven’, zo luidden de woorden van Kreisler. In 1907 stelde hij officieel de vraag aan Elgar, maar die kon zich pas na de première van zijn eerste symfonie in 1908 volledig toeleggen op het concerto. In 1909 volgde de commissie door de Royal Philharmonic Society of London, en een jaar later de première, met Kreisler als solist en Elgar als dirigent.
Het publiek reageerde euforisch: Kreisler werd na afloop meermaals teruggeroepen op het podium, en de concertmeester van het orkest, William Henry Reed, sprak van 'een volslagen triomf'. Kreisler zelf was al even lovend en noemde het resultaat 'het grootste vioolconcerto sinds dat van Beethoven'. En dat ondanks de aanzienlijke moeilijkheidsgraad: niet alleen de technische hindernissen zoals de vele dubbelgrepen en snelle positiewissels, maar ook minieme verschillen in tempo en expressie vergen een uiterste concentratie van de solist.
Zoals eerder al bleek uit zijn Enigmavariaties, trok Elgar zijn voorliefde voor puzzels en cryptogrammen ook door in zijn composities. Ook in zijn vioolconcerto verwerkte hij een geheime boodschap: zo plaatste hij op de eerste pagina van het manuscript vijf puntjes aan het einde van het Spaanse opschrift ‘Aquí está encerrada el alma de…..’ (‘Hier ligt de ziel besloten van …..’). Tot op vandaag blijft het een raadsel wie Elgar precies bedoelde. Was het zijn dichte vriendin Alice Stuart-Wortley, bijgenaamd ‘Windflower’? Of zijn eerste liefde, Helen Weaver, ook een violiste? Misschien was het wel zijn beste vriend August Jaeger? Of verwees Elgar gewoon naar zichzelf? Wat het antwoord ook mag zijn, het tot de verbeelding sprekende mysterie bleek een slimme marketingtruc om zijn werk extra onder de aandacht te brengen.
Terwijl Elgar zich in zijn vioolconcerto liet meeslepen door emotie en persoonlijke geheimen, worstelde zijn Duitse tijdgenoot Brahms net met de vraag hoeveel gevoel hij in zijn muziek kon verwerken. Lange tijd werd hij gezien als een conservatieve componist die vasthield aan de traditionele vormen en harmonische structuren. Toch wist hij die op een subtiele manier en van binnenuit te moderniseren. Dat deed hij met het diepste respect voor de nalatenschap van de vorige generaties componisten, zoals J.S. Bach en Ludwig van Beethoven.
Het duurde enige tijd voor Brahms zich durfde te meten met Beethovens symfonische genie. Tijdens een van hun eerste ontmoetingen had Robert Schumann de jonge Brahms bestempeld als de grote opvolger van Beethoven. Het zorgde voor heel wat druk op zijn schouders. Brahms was al goed in de veertig toen hij zich aan een eerste symfonie waagde. Met succes, want meteen na de première werd ze bestempeld als ‘de Tiende van Beethoven’. Nog geen jaar later volgde zijn tweede symfonie, en in 1883 – Brahms was intussen een vijftiger – zijn derde, als eerbetoon aan zijn vriend en mentor Robert Schumann.
Ik vrees echt dat het [de Vierde Symfonie] smaakt naar het klimaat hier. De kersen worden hier niet rijp; ze zijn niet te vreten!
Tijdens de twee daaropvolgende zomervakanties in de Oostenrijkse Alpen werkte Brahms aan een volgende symfonie. In september 1885 schreef hij Hans von Bülow, dirigent van het Meiningen-hoforkest, met de vraag om dit nieuwe orkestwerk uit te voeren. Tegelijk uitte hij zijn twijfels: ‘Ik vrees echt dat het [de Vierde Symfonie] smaakt naar het klimaat hier. De kersen worden hier niet rijp; ze zijn niet te vreten!’ Maar von Bülow was vol lof, en op 25 oktober 1885 dirigeerde Brahms zelf de première. Hoewel sommige critici het werk als te intellectueel bestempelden, kon het publiek zijn Vierde Symfonie wel smaken. Enkele vooraanstaande figuren prezen zijn vindingrijkheid op het vlak van thematische ontwikkeling. Alleen al in het eerste deel toont Brahms zijn meesterschap door uit alleen de vier eerste noten muzikaal materiaal te putten voor een volledige beweging.
De finale, een eerbetoon aan Bach, is een ware krachttoer. Brahms introduceert hier een barokke vorm – de chaconne – als sluitstuk van een symfonie. Binnen dat strak georganiseerde framework gaat hij inventief te werk in de combinatie van het melodische en harmonische materiaal. Het idee voor die finale was hem al enkele jaren eerder ingevallen tijdens het spelen van Bachs Chaconne voor solo viool, als deel van zijn Partita nr. 2. Aan Clara Schumann bekende hij toen: ‘Als ik me inbeeld dat ik zo'n stuk zou schrijven, of zelfs maar bedenken, dan weet ik zeker dat de extreme opwinding en emotionele spanning me gek zouden maken.’ Voor zijn symfoniefinale nam Brahms de baslijn uit de chaconne van Bachs cantate Nach Dir, Herr, verlanget mich licht gewijzigd over, en modelleerde meer dan dertig variaties tot een dramatisch slot.