LAB II: Mystery of Time | Brussels Philharmonic

LAB II: Mystery of Time

PROGRAMMATOELICHTING

geschreven door JASPER CROONEN

Giovanni Gabrieli Symphoniae Sacrae (1597)
Oscar Jockel
paths in the sky (2023)
Arvo Pärt
Cantus in Memory of Benjamin Britten (1977)
Miloslav
Kabeláč Mystery of Time (Mysterium času), Op. 31 (1957)

[bekijk alle toelichtingen]

-----

14.11.2026 FLAGEY BRUSSEL

Tik
Tak
Tik
Tak

Zestig seconden per minuut, zestig minuten per uur. 24 uur per dag, zeven dagen per week … Tijd lijkt op het eerste gezicht een voor de hand liggend concept. Niets is minder waar. Lange tijd geloofden we als mensheid dat het leven voortschreed volgens een rechte lijn. Een tijdslijn waarop het ene punt na het andere komt.

De voorbije eeuw is dat perspectief bijgesteld. Onder invloed van de relativiteitstheorie van Albert Einstein worden tijd en ruimte nu als onlosmakelijk verbonden gezien. Wie een gebeurtenis wil situeren in de zogenaamde ruimtetijd zet geen punt op een lijn, maar plaatst coördinaten in een veld met vier dimensies: je hebt er drie nodig om iets in de ruimte te situeren, tijd maakt het vierdimensionaal.

Een nieuwe tijd-ruimte-verhouding

De theorie lijkt misschien vooral spek naar de bek van scifi-schrijvers – wie bijvoorbeeld ooit de film Interstellar zag, weet hoe buigbaar tijd en ruimte zijn. Toch wist componist Giovanni Gabrieli al in de zestiende eeuw dat de plaatsing van je muzikanten een effect heeft op de echo’s van de klank, en dus de (tijds)beleving van je werk. Voor zijn Symphoniae Sacrae plaatste hij zijn uitvoerders in verschillende hoeken van de San Marco-basiliek, om zo plaats en tijd als een compositorisch effect te gebruiken.

Vijf eeuwen later, in 2023 om precies te zijn, strooit componist en dirigent Oscar Jockel de muzikanten op een gelijkaardige manier uit over de concertzaal. Zijn paths in the sky is geschreven als een massieve, traag evoluerende orkestklank. Het is een geluidsgolf die je geleidelijk aan opslokt, maar die je niet frontaal overspoelt. Jockel deelt het ensemble namelijk op in vijf groepen die grotendeels samenvallen met de traditionele opdeling in het symfonieorkest: groepen 1 en 3 zijn de strijkers (zonder contrabas), groep 2 de kopers, groep 4 de houtblazers en in groep 5 zitten twee percussionisten, een harpist en de contrabassen.

Alleen die laatste groep zit – ervan uitgaande dat de architectuur van de concertzaal het toelaat – op het podium. De andere groepen spelen in een ideaal scenario vanop de balkons, staan rondom het publiek opgesteld. De twee groepen strijkers worden bovendien zo ver mogelijk uit elkaar getrokken, om de spatiale effecten van de muziek zo veel mogelijk in de verf te zetten. Paths in the sky is een compositie die luisteraar en uitvoerder desoriënteert en destabiliseert, des te meer omdat het werk normaal gezien in totale duisternis uitgevoerd wordt. Als publiek weet je niet vanwaar je de klank mag verwachten; als muzikant vraagt die nieuwe plaats in de zaal om een nieuw tijdsbegrip. Ze verandert de verhouding tot je medespelers en in het bijzonder tot de dirigent die doorheen dit alles de maat probeert te houden. Pas in het laatste deel komen de muzikanten langzaamaan, al spelend, dwars door het publiek, richting het podium gewandeld, naar een gezamenlijk punt in tijd én ruimte.

Tijdloosheid

Arvo Pärt heeft van tijdloze composities dan weer zowat zijn handelsmerk gemaakt. Zijn specifieke type minimalisme, het klokjesachtige tintinnabuli, lijkt wel uit dat eerder vermelde vierdimensionale raster geheven – misschien is zijn muziek daarom zo geliefd als soundtrack bij futuristische films, als Gravity en Navigaator Pirx.

Zijn Cantus in Memoriam Benjamin Britten drijft die tijdsloosheid tot het uiterste. Het hele werk is opgebouwd als een canon op een dalende toonladder van la klein. De buisklok die de percussionist doorheen het werk aanslaat, fungeert daarbij als tooncentrum. Alle andere instrumenten lijken ondertussen langzaamaan te zoeken naar de juiste noot, concreet een van de noten uit de drieklank van la klein. De voortdurende kleine verschuivingen zorgen ervoor dat het relatief korte stuk van om en bij de zes minuten, net iets flous krijgt.

Dat gevoel uit de tijd geheven te zijn, is een doelbewuste keuze van Pärt. Zijn werk is namelijk een elegie voor Britten, die in het jaar voor de creatie van dit werk overleed. Pärt zet de insteek uit zijn titel extra in de verf door het werk te laten beginnen en eindigen met gecomponeerde stilte. Hij start zijn werk met drie (genoteerde) tellen rust. Aan het einde spelen geen instrumenten meer, maar klinkt alleen nog de nagalm en de boventonen van de buisklok. Pärts Cantus is met andere woorden een bespiegeling op een heel mensenleven: de muziek komt uit het grote niets, en deemstert opnieuw weg in het oneindige. Daartussen is er die minuscule fractie van een mensenleven, die zo weer voorbij is.

Een exact of humaan vraagstuk

Mysterium času van de Tsjechische componist Miloslav Kabeláč (1908-1979) is niet alleen het sluitstuk van onze tijdsstudie, het werk geeft dit LAB-concert ook zijn naam: Mystery of Time. Net als bij Arvo Pärt lijkt de compositie oeverloos. Kabeláč begint zijn werk met een koraalmelodie en gebruikt een passacagliabas als fundament. Maar waar deze traditionele vormen vaak dienen om rigide constructies te componeren, lijkt de muziek zich hier net uitermate vrij te bewegen, bijna puls-, ritme- en tempoloos.

Dat organische gevoel hoeft niet te verbazen. Volgens musicoloog Jaroslav Mihule, die vertelt over het werk in een cd-boekje, liet Kabeláč zich voor dit stuk inspireren door nachtelijk sterrenkijken. Met vrienden had hij dan vaak gesprekken over de vaste orde die over alles heerst, en over de emotionele opwinding die kosmische gebeurtenissen teweegbrengt. Het is die spreidstand tussen structuur en chaos die het werk zo aangrijpend maakt.

Zeker wanneer je Mystery of Time daarnaast kadert binnen de politieke geschiedenis waarin het gecreëerd is. In het eerder vermelde cd-boekje gebruikt Mihule ook de term ruimtetijd. Erg veraf is de fysica dus nooit. Maar wie de muziek van Kabeláč vierdimensionaal situeert, komt vooral op een turbulent punt in het continuüm uit. De componist leefde in een ontwrichtende periode, beleefde twee Wereldoorlogen, en vooral de annexatie van zijn thuisland door de Sovjet-Unie met de daarbij horende gevolgen voor een zelfverklaard democraat als Kabeláč.

Zo bekeken, probeert het titulaire tijdsmysterie dus niet uitsluitend natuurkundige vraagstukken te beantwoorden. Het “mystery of time” gaat dan evengoed, en misschien wel vooral, over het onvermogen om het eigen tijdsgewricht te begrijpen. Ons Mystery of Time ontspruit misschien in de exacte wetenschappen, maar het mysterie is toch vooral des mensen.