Claude Debussy Pelléas et Mélisande, Suite symphonique (arr.) (1898)
Philippe Boesmans Fin de nuit pour piano et orchestre (2017)
Richard Wagner Tristan und Isolde, WWV 90, Vorspiel und Liebestod (1859)
14.03.2026 FLAGEY BRUSSEL
Toen Philippe Boesmans in april 2022 overleed na een korte ziekte, was het de Muntschouwburg die zijn muzikale afscheid organiseerde. Niet verwonderlijk. Boesmans, 85 jaar oud geworden, was er jarenlang huiscomponist en maakte vooral naam met zijn opera’s. Acht stuks (plus een herwerking van Monteverdi’s L'incoronazione di Poppea) schreef de geboren Tongenaar in totaal. Allemaal werden ze in Brussel gespeeld, het merendeel beleefde daar zelfs zijn wereldpremière.
Toch beperkte Boesmans zich geenszins tot het toneel. Hij liet daarnaast ook een beperkt, maar daarom niet minder fantastisch, niet-theatraal oeuvre na. Zijn stuk voor de bijzondere bezetting van hoorn en zangstem, Upon La-Mi, leverde hem in 1971 al de Prix Italia op. En ook zijn cyclus Trakl-Lieder (1988) had al snel succes. Die werd, samen met zijn Eerste Strijkkwartet, al in de jaren negentig opgenomen en op cd uitgebracht.
Fin de Nuit is een van de latere composities van Boesmans. Geschreven in 2017, na het voltooien van zijn opera Pinocchio, ging dit bijzondere concertante werk in 2019 in première. Bijzonder, omdat je pas in het tweede deel van deze tweedelige compositie doorhebt dat dit eigenlijk een pianoconcerto is. In het eerste deel, ‘Dernier Rêve’, blijft de pianist namelijk stil. Boesmans toont er vooral zijn meesterschap met klankkleuren: een rijke orkestrale taal in duistertinten. Net zoals hij in zijn sprookjesopera over de vleesgeworden marionet de schaduwkanten van het verhaal van Carlo Collodi had opgezocht.
In het tweede deel, ‘Envols’, mag de solist wel zijn kunnen etaleren. De pianist zet vrijwel meteen de toon met een lieflijke rêverie, die door de orkestmuzikanten wordt overgenomen. Maar al snel sluipt er meer bombast en dreiging in deze droomwereld. De persoon achter het klavier moet zich door snelle passages en vinnige, zelfs venijnige trillers werken, waardoor het concertante karakter van het stuk meer en meer op de voorgrond treedt. Al blijft ook hier een van de belangrijkste vertelelementen in Boesmans’ taal de stilte. Rusten zijn bijna even belangrijk als noten. De hamers van de piano lijken wel in een vacuüm op de snaren te slaan. Klanken laat de componist heel zacht wegdeemsteren, om zo het contrast met de machtige orkestrale passages eens zo groot te maken.
Dat Philippe Boesmans in dit concert geflankeerd is door Claude Debussy en Richard Wagner is geen grote verrassing. Boesmans was altijd een componist die over zijn schouder keek, zich steeds bewust van wat zijn voorgangers al hadden aangevangen. Een van zijn eerste opdrachten was het schrijven van pastiches voor de hoorspelen van de RTBF. In die muziekstukjes moest hij de stijl van een andere componist nabootsen. Een leven lang zou hij dat spel met referenties blijven spelen.
Daarnaast was Boesmans als jonge student aan het conservatorium van Luik al een fervent Wagneriaan. Hij leende partituren uit de bibliotheek – vaak pianoreducties – om ze zelf te kunnen spelen en zo te doorgronden. In 1957, amper twintig jaar oud, woonde hij in de Muntschouwburg zijn eerste opera bij: Tristan und Isolde. Een ervaring die een onuitwisbare indruk naliet.
Het is een invloed die hoorbaar blijft, zij het vaak gefilterd door ironie. Boesmans laatste opera, On purge bébé, was gebaseerd op een vaudeville-stuk van Feydau, en heeft een geconstipeerd kind en een verkoper van toiletpotten als protagonisten. Wanneer in die opera de porseleinen bedpannen op scene komen, citeert Boesmans het motief van de graal uit Wagners opera Parsifal.
Hij werd gevoed door veel verschillende stromingen tegelijk. Hij verwees altijd graag naar verschillende componisten, of het nu Debussy, Poulenc of zelfs Puccini was. Dat is het mooie ervan, het doorgeven van componisten uit het verleden, een soort symbiose. Hij schaamde zich er niet voor om naar verschillende stijlen te verwijzen. Philippe was een soort muzikale millefeuille.
Dat soort knipogen is typisch voor Boesmans. Zo lonkte de componist evengoed naar Claude Debussy. Een recensent voor Crescendo Magazine vergeleek zijn Au Monde, uit 2014, zelfs met de enige opera van de Franse componist: “We staan versteld van deze natuurlijkheid, deze voortdurend vruchtbare en bruisende inventiviteit, waarin we zeker de invloed van Debussy's Pelléas et Mélisande terugvinden in de behandeling van de stem.”
Net als Debussy deelt Boesmans een fascinatie voor de flouheid en de suggestie. En voor de kracht die muziek heeft om uit te drukken wat in woorden maar moeilijk gezegd raakt. Het is muziek die niet alles invult, maar ruimte laat voor twijfel en stilte – net als in Fin de Nuit.
Ook Patricia Petibon, die in die opera de rol van La seconde fille vertolkte, beaamde die inspiratiebron:
“Hij werd gevoed door veel verschillende stromingen tegelijk. Hij verwees altijd graag naar verschillende componisten, of het nu Debussy, Poulenc of zelfs Puccini was. Dat is het mooie ervan, het doorgeven van componisten uit het verleden, een soort symbiose. Hij schaamde zich er niet voor om naar verschillende stijlen te verwijzen. Philippe was een soort muzikale millefeuille.”