Rachmaninov, Reger, Scriabin | Brussels Philharmonic

Rachmaninov, Reger, Scriabin

PROGRAMMATOELICHTING

geschreven door AURÉLIE WALSCHAERT

Sergei Rachmaninov Pianoconcert nr. 4 in g, op. 40 (1941)
—
Max Reger
Vier Tondichtungen nach A. Böcklin, op. 128 (1913)
Alexander Scriabin
Symfonie nr. 4, op. 54 "Le Poème de l'extase"(1908)

[bekijk alle toelichtingen]

-----

19.12.2026 FLAGEY BRUSSEL

Hoe geef je als componist vorm aan je muzikale taal terwijl je met de ene voet nog in de romantiek en met de andere al in de moderniteit staat?
Voor Sergej Rachmaninov (1873-1943) bleek de zoektocht naar een nieuw discours een moeilijke evenwichtsoefening, die ook in zijn vierde en laatste pianoconcerto niet helemaal het verhoopte resultaat opleverde. Max Reger (1873-1916) waagde zich met zijn Vier Tondichtungen nach A. Böcklin dan weer aan een uitstap naar de beeldende kunst, terwijl Alexandr Skrjabin (1872-1915) zijn heil in mystiek en filosofie zocht. Die liet hij helemaal tot uiting komen in zijn groots opgezette orkestwerken, zoals zijn extatische vierde symfonie.

‘Als een geest in een vervreemde wereld’

Rachmaninov combineerde nagenoeg zijn hele leven een carrière als componist met die van pianist, waarmee hij de traditie van componist-virtuoos verderzette. Terwijl zijn jeugdige eerste pianoconcerto de toon zette voor zijn carrière en het tweede concerto een nieuwe doorbraak betekende na een lange writer’s block, diende het derde concerto als visitekaartje voor zijn allereerste concertreis naar de Verenigde Staten in 1910. Drie jaar later speelde hij met het idee om daar nog een vierde aan toe te voegen, maar het duurde tot 1926 voor hij er echt werk van maakte.

Door de alles ontwrichtende Oktoberrevolutie in 1917 had Rachmaninov zijn geboorteland noodgedwongen moeten ruilen voor een nieuwe thuis. Via Scandinavië belandde hij in de Verenigde Staten, waar hij als concertpianist al snel een aanzienlijk netwerk uitbouwde en zo in het onderhoud van zijn gezin voorzag. In die periode componeerde Rachmaninov slechts een handvol grote werken. Zijn bestaan als concertpianist nam het grootste deel van zijn tijd in beslag en bracht ook de nodige stress met zich mee. Maar bovenal miste hij de cultuur van zijn geboorteland en de idyllische sfeer en totale rust van zijn geliefde landgoed Ivanovka, waar hij zich voordien telkens terugtrok om te componeren. ‘Zeventien jaar lang, sinds ik mijn land verloor, voelde ik mij niet in staat te componeren. Toen ik de zomer doorbracht op mijn boerderij in Rusland had ik plezier in mijn werk. Ik componeer nog wel, maar het betekent voor mij niet meer hetzelfde’, gaf hij in 1933 toe in een interview voor de Daily Telegraph.

In 1926 zag hij eindelijk de kans om een sabbatjaar in te lassen en zijn plannen voor een vierde pianoconcerto vorm te geven. De jaren daarvoor had hij telkens de premières van Rhapsody in Blue en het Piano Concerto in F van George Gershwin bijgewoond, en die hadden hem duidelijk inspiratie gegeven. Op 18 maart 1927 ging zijn Vierde Pianoconcerto in première, uitgevoerd door het Philadelphia Orchestra onder leiding van Leopold Stokowski. De kritiek was bikkelhard: liefhebbers van zijn vorige concerti misten de breedsprakige melodieën en samenhang, terwijl verdedigers van het modernisme zijn compositie als oubollig bestempelden. Rachmaninov nam opnieuw plaats achter de componeertafel en zorgde voor een grondige revisie. Hij schaafde vooral aan de lengte van het laatste deel en aan de schriftuur voor de piano. Maar de reacties bleven lauw en Rachmaninov ontevreden. Twee jaar voor zijn overlijden herzag hij het werk voor een laatste keer, maar een echte appreciatie bleef uit.

1/ Der geigende Eremit, Arnold Böcklin
2/ Im Spiel der Wellen, Arnold Böcklin
3/ Die Toteninsel, Arnold Böcklin
4/ Bacchanal, Arnold Böcklin

Uitstap naar de schilderkunst

De schilderijen van de Zwitserse symbolistische schilder Arnold Böcklin (1827-1901), aan wie Reger zijn compositie Vier Tondichtungen nach A. Böcklin wijdde, waren rond de overgang van de 19e naar de 20e eeuw erg populair. Talloze reproducties waren over heel Europa te zien. Vooral Die Toteninsel bleek geliefd: verschillende componisten, waaronder Rachmaninov en Reger, besloten om hun impressies van dit werk uit te drukken in muziek. Terwijl Rachmaninov er een volledig symfonisch gedicht aan wijdde, verwerkte Reger zijn versie van het schilderij tot het centrale deel van een vierdelige cyclus. Deze reeks van toongedichten noemde hij een ‘uitstap naar het terrein van de programmamuziek’. Daarmee gaf hij aan het pad van de absolute muziek niet volledig te verlaten, maar slechts even een zijweg te verkennen.

Eerder dan een expliciete weergave van de schilderijen, zijn de Vier Tondichtungen nach A. Böcklin een poging van Reger om de ziel van de kunstwerken in muziek te vatten. De vier delen doorlopen contrasterende stemmingen, van stil verlangen in Der geigende Eremit en een speelse spanning in Spiel der Wellen tot een donkere en intense sfeer in Die Toteninsel. In het afsluitende Bacchantenfest breekt de zon weer door en barst het feest los. Reger componeerde het werk in de zomer van 1913 in Meiningen en dirigeerde zelf de première op 12 oktober 1913 in Essen met het Städtisches Orchester. Het zou een van zijn laatste grote orkestwerken worden: amper drie jaar na de première overleed hij.

Poème de l’Extase is de Vreugde van Bevrijde Actie. Hoe sterker de hartslag van het leven en hoe haastiger de ritmes, des te duidelijker komt de Geest tot het besef dat zijn natuur samenvalt met die van de creativiteit. Wanneer de Geest het opperste hoogtepunt van zijn activiteit heeft bereikt en is weggetrokken van de omhelzingen van teleologie en relativiteit, wanneer het zijn substantie en bevrijde actieve energie volledig heeft uitgeput, zal de Tijd van Extase aanbreken.

Alexandr Skrjabin

Mystieke kunst

Skrjabin zette zich pas later in zijn carrière aan het componeren van grotere orkestwerken. Zijn vijf symfonieën, die hij schreef tussen 1899 en 1910, weerspiegelen de evolutie van een eerder laat-romantische naar een modernistische schrijfstijl. Gaandeweg raakte hij begeesterd door de poëzie van de symbolisten en de filosofische werken van Nietzsche, Kant en theosofisten als Blavatski. Ze hielpen hem om zijn rol in de wereld beter te begrijpen. Zo zag Skrjabin zichzelf als een messias die de wereld zou veranderen met zijn muziek. Zijn geboorte op kerstdag beschouwde hij als het ultieme teken van deze roeping. Deze persoonlijke en radicale visie bracht hij in zijn grootschalige orkestwerken steeds intensiever tot uitdrukking.

Met de alternatieve benamingen voor zijn orkestwerken, bij voorkeur ‘Poème’, verwees Skrjabin naar een buitenmuzikale en filosofische inhoud. Voor Poème de l’Extase, ook bekend als zijn vierde symfonie, schreef Skrjabin zelf het gedicht dat aan de basis van de muziek lag. In een programmatekst lichtte hij het werk als volgt toe: ‘Poème de l’Extase is de Vreugde van Bevrijde Actie. Hoe sterker de hartslag van het leven en hoe haastiger de ritmes, des te duidelijker komt de Geest tot het besef dat zijn natuur samenvalt met die van de creativiteit. Wanneer de Geest het opperste hoogtepunt van zijn activiteit heeft bereikt en is weggetrokken van de omhelzingen van teleologie en relativiteit, wanneer het zijn substantie en bevrijde actieve energie volledig heeft uitgeput, zal de Tijd van Extase aanbreken.’

Het mysticisme bood Skrjabin niet alleen een filosofische leidraad, maar inspireerde hem ook tot een nieuwe ordening van klanken, buiten de grenzen van de functionele tonaliteit. Die leidde niet alleen tot talrijke modulaties en een chromatische schrijfwijze, maar ook tot het zogenaamde mystieke akkoord – een dissonante zestonige reeks waaruit Skrjabin de akkoorden en melodieën voor een hele compositie putte. In het symfonisch gedicht Poème de l’Extase paste Skrjabin deze methode toe om de harmonische spanning tot het uiterste te drijven. De ultieme verlossing klinkt pas helemaal op het einde, wanneer het voltallige orkest het enige consonante akkoord uit het hele werk speelt.