Emilie Mayer Faust-Ouverture, op. 46 (1879)
Robert Schumann Celloconcert in a, op. 129 (1850)
—
Richard Strauss Till Eulenspiegels lustige Streiche, op. 28 (1895)
Richard Strauss Der Rosenkavalier (Suite), op. 59 (1910)
30.10.2026 FLAGEY BRUSSEL
Iconische verhalen met sterke karakters in de hoofdrol - Richard Strauss werd er onweerstaanbaar door aangetrokken. Met folkloreheld Tijl Uilenspiegel kon hij zijn hart helemaal ophalen: een sprankelende legende over de roemruchte daden van een schurk, onrustzaaier en misantroop die lak heeft aan wetten en regels. Hoe anders is de sfeer in zijn succesopera Der Rosenkavalier, waarin tedere liefde, zwierige Weense walsen en passionele scènes elkaar afwisselen.
Robert Schumann (1810-1856) viel voor de lyrische kracht en het emotionele bereik van de cello en schreef op amper twee weken tijd zijn enige celloconcerto. Zijn vrouw, Clara Schumann, was er meteen weg van: ‘Ik heb Roberts celloconcerto opnieuw doorgespeeld, en mezelf zo een echt muzikaal en gelukkig uur geschonken. De romantische kwaliteit, de levendigheid, de frisheid en humor, en ook de zeer interessante verweving van cello en orkest zijn uiterst verrukkelijk!’ Als componiste moest Clara trouwens niet onderdoen voor haar man. Maar door met Robert te huwen, zette ze haar compositorische carrière automatisch op een zijspoor. Die stap zette generatie- en landgenote Emilie Mayer (1812-1883) heel bewust niet. Zij ging voluit voor een leven als beroepscomponiste en timmerde zo aan een aanzienlijk oeuvre. Daarin blijken parels van orkestwerken verscholen te zitten, waaronder haar Faust-Ouvertüre.
Op 20 april 1850 kondigde de Berlijnse krant Vossische Zeitung een concert aan in het stadstheater, met werk van de tot dan toe onbekende Duitse componiste Emilie Mayer: ‘Aanstaande zondagochtend staat de muziekwereld een bijzonder interessant hoogtepunt te wachten. Een dame zal een aantal van haar composities ten gehore brengen in de koninklijke schouwburg (…) Zo’n concertprogramma, volledig samengesteld door een vrouw, is naar onze ervaring en kennis, uniek in de muziekgeschiedenis.’ Mayer bewees haar tijd ver voor te zijn. Ook de Neue Berliner Musikzeitung was onder de indruk: ‘Tot nu toe heeft de hand van een vrouw hooguit het lied overwonnen (…), maar een kwartet, laat staan een symfonie met alle vereiste kunst voor zinvoering en instrumentatie – dat is zeer uitzonderlijk.’
Mayer had een voorliefde voor orkestmuziek, in het bijzonder ouvertures. Ze componeerde er een vijftiental, waarvan slechts een derde bewaard bleef. De bekendste is haar Faust-Ouvertüre, het enige werk in dat genre dat ze baseerde op een programmatisch onderwerp. Een mannelijk thema dan nog wel, en bovendien één waar collega-componisten Schumann, Berlioz, Liszt en Wagner eerder al mee aan de slag waren gegaan. Al voelde Mayer zich wellicht eerder verbonden met Gretchen, het vrouwelijke personage uit Goethes Faust. Dat blijkt uit de enige buitenmuzikale aanduiding aan het einde van de partituur: ‘Sie ist gerettet’.
De première van Mayers Faust-Ouvertüre in 1881 werd door publiek en pers lovend onthaald. Haar compositie werd in verschillende Europese steden uitgevoerd én er verscheen een arrangement voor vierhandig piano. Toch verdween haar volledige repertoire in de vergeetput na haar overlijden. Daar kwam verandering in op de viering van haar 200e geboortedag in 2012. Sinds die dag groeit de aandacht voor haar oeuvre stelselmatig. Zo richtte de Berliner Symphoniker in 2023 een retrospectieve in en bracht het orkest een film uit die de componiste eert, met haar Faust-Ouvertüre als soundtrack.
Schumann componeerde zijn enige celloconcert in amper twee weken tijd: op 10 oktober 1850 schreef hij nog in zijn dagboek dat hij ‘de drang voelde om te componeren’, om op 24 oktober te noteren dat zijn concerto voltooid was. Schumann was nog maar net als muziekdirecteur in Düsseldorf aangesteld, en het vooruitzicht op een nieuw artistiek pad in zijn carrière gaf hem energie om te componeren. Op drie maanden tijd werkte hij twee grootschalige werken af: zijn derde ‘Rheinische’ symfonie en dit celloconcerto.
De compositie opent met een innemende melodie in de cello, die zich verder over het eerste expressieve deel ontspint. Na het tweede deel, een teder lied, volgt een speelse en lichte finale met een cadens op het einde – uitzonderlijk door het orkest begeleid. Omdat Schumann applaus tussen verschillende bewegingen verafschuwde, worden de drie delen zonder pauze gespeeld. De drie openingsakkoorden dienen als thematisch materiaal voor de brugpassages, als ‘lijm’ tussen de verschillende delen. Opmerkelijk voor die tijd is dat er in het concerto weinig passages zijn waarin de cellist zijn virtuositeit tentoon kan spreiden. Dat weerlegde Schumann als volgt: “Ik kan niet voor virtuozen componeren, ik moet iets anders proberen.”
Schumann verkoos dan ook de benaming Konzertstück, waarmee hij aangaf te willen afstappen van de conventies van het traditionele concerto. Net die atypische benadering maakte deel uit van de kritiek op het werk, waardoor het pas vier jaar na zijn dood in première ging. Hoewel het celloconcerto lange tijd onder het stof bleef liggen, zorgde net het romantische en aparte karakter ervan dat het vandaag een van de vaakst gespeelde concerto’s voor cello is.
Richard Strauss (1864-1949) vond inspiratie in oude volksverhalen en bracht de schelm Tijl Uilenspiegel tot leven in het symfonisch gedicht Till Eulenspiegels lustige Streiche (1894-95). In de beschouwende introductie stelt de hoorn het eerste ‘Tijl-thema’ voor, dat onmiddellijk door het orkest in rondovorm wordt overgenomen. De klarinet zet het tweede thema in en volgt Tijls paardrit op een markt, de ravage die hij daar aanricht en de ontzetting van de marktvrouwen. Volle of karakteristieke melodieën staan voor Tijls vlerkenstreken, tedere passages in de violen, klarinetten en fluiten verklanken de liefdesepisodes. Aan dit alles komt abrupt een einde wanneer onheilspellende tonen in de kopers en zwaar tromgeroffel het arrest van de held aankondigen. Tijl krijgt de strop; een vervormd thema in de klarinet symboliseert zijn laatste zucht. Langzaam vertragen de strijkers in een onregelmatig tempo: Tijls lichaam zwaait nog even heen en weer totdat het stil hangt. Wanneer de fluiten klinken, verlaat de ziel zijn lichaam. Na een ogenblik van stilte, keert het eerste thema terug, als een humoristisch ‘in memoriam’, suggererend dat figuren als Tijl nooit verdwijnen.
Strauss componeerde deze “komedie voor muziek” in samenwerking met zijn vaste librettist Hugo Hofmannstal, met wie hij al eerder had samengewerkt voor de opera Elektra. Qua stijlbreuk kon het tellen: na het vernieuwende, hoogromantische Elektra presenteerde Strauss plots een luchtige opera, naar het model van Mozartopera’s als Le Nozze di Figaro en Cosi fan tutte. Het aanstekelijke verhaal doet alvast erg denken aan diens komische opera’s, inclusief geheime verhoudingen, verkleedpartijen en misverstanden. Der Rosenkavalier was dan ook een onmiddellijk succes. Jaren later, in 1945, bundelde Strauss de prelude en enkele hoogtepunten uit de kaleidoscopische opera tot een suite.