Emilie Mayer Faust-Ouverture, op. 46 (1879)
Robert Schumann Celloconcert in a, op. 129 (1850)
—
Richard Strauss Don Quixote, op. 35 (Phantastische Variationen über ein Thema ritterlichen Charakters) (1897)
30.10.2026 FLAGEY BRUSSEL
Galant, temperamentvol en introspectief; het zijn eigenschappen die je zowel aan de cello als aan het hoofdpersonage uit de Spaanse roman Don Quixote zou kunnen toeschrijven. Geen wonder dat Richard Strauss (1864-1949) dit instrument uitkoos voor de belichaming van de ridderlijke held in zijn gelijknamige symfonisch gedicht. Ook Robert Schumann (1810-1856) viel voor de lyrische kracht en het emotionele bereik van de cello en schreef op amper twee weken tijd zijn enige celloconcerto. Zijn vrouw, Clara Schumann, was er meteen weg van: ‘Ik heb Roberts celloconcerto opnieuw doorgespeeld, en mezelf zo een echt muzikaal en gelukkig uur geschonken. De romantische kwaliteit, de levendigheid, de frisheid en humor, en ook de zeer interessante verweving van cello en orkest zijn uiterst verrukkelijk!’ Als componiste moest Clara trouwens niet onderdoen voor haar man. Maar door met Robert te huwen, zette ze haar compositorische carrière automatisch op een zijspoor. Die stap zette generatie- en landgenote Emilie Mayer (1812-1883) heel bewust niet. Zij ging voluit voor een leven als beroepscomponiste en timmerde zo aan een aanzienlijk oeuvre. Daarin blijken parels van orkestwerken verscholen te zitten, waaronder haar Faust-Ouvertüre.
Op 20 april 1850 kondigde de Berlijnse krant Vossische Zeitung een concert aan in het stadstheater, met werk van de tot dan toe onbekende Duitse componiste Emilie Mayer: ‘Aanstaande zondagochtend staat de muziekwereld een bijzonder interessant hoogtepunt te wachten. Een dame zal een aantal van haar composities ten gehore brengen in de koninklijke schouwburg (…) Zo’n concertprogramma, volledig samengesteld door een vrouw, is naar onze ervaring en kennis, uniek in de muziekgeschiedenis.’ Mayer bewees haar tijd ver voor te zijn. Ook de Neue Berliner Musikzeitung was onder de indruk: ‘Tot nu toe heeft de hand van een vrouw hooguit het lied overwonnen (…), maar een kwartet, laat staan een symfonie met alle vereiste kunst voor zinvoering en instrumentatie – dat is zeer uitzonderlijk.’
Mayer had een voorliefde voor orkestmuziek, in het bijzonder ouvertures. Ze componeerde er een vijftiental, waarvan slechts een derde bewaard bleef. De bekendste is haar Faust-Ouvertüre, het enige werk in dat genre dat ze baseerde op een programmatisch onderwerp. Een mannelijk thema dan nog wel, en bovendien één waar collega-componisten Schumann, Berlioz, Liszt en Wagner eerder al mee aan de slag waren gegaan. Al voelde Mayer zich wellicht eerder verbonden met Gretchen, het vrouwelijke personage uit Goethes Faust. Dat blijkt uit de enige buitenmuzikale aanduiding aan het einde van de partituur: ‘Sie ist gerettet’.
De première van Mayers Faust-Ouvertüre in 1881 werd door publiek en pers lovend onthaald. Haar compositie werd in verschillende Europese steden uitgevoerd én er verscheen een arrangement voor vierhandig piano. Toch verdween haar volledige repertoire in de vergeetput na haar overlijden. Daar kwam verandering in op de viering van haar 200e geboortedag in 2012. Sinds die dag groeit de aandacht voor haar oeuvre stelselmatig. Zo richtte de Berliner Symphoniker in 2023 een retrospectieve in en bracht het orkest een film uit die de componiste eert, met haar Faust-Ouvertüre als soundtrack.
Schumann componeerde zijn enige celloconcert in amper twee weken tijd: op 10 oktober 1850 schreef hij nog in zijn dagboek dat hij ‘de drang voelde om te componeren’, om op 24 oktober te noteren dat zijn concerto voltooid was. Schumann was nog maar net als muziekdirecteur in Düsseldorf aangesteld, en het vooruitzicht op een nieuw artistiek pad in zijn carrière gaf hem energie om te componeren. Op drie maanden tijd werkte hij twee grootschalige werken af: zijn derde ‘Rheinische’ symfonie en dit celloconcerto.
De compositie opent met een innemende melodie in de cello, die zich verder over het eerste expressieve deel ontspint. Na het tweede deel, een teder lied, volgt een speelse en lichte finale met een cadens op het einde – uitzonderlijk door het orkest begeleid. Omdat Schumann applaus tussen verschillende bewegingen verafschuwde, worden de drie delen zonder pauze gespeeld. De drie openingsakkoorden dienen als thematisch materiaal voor de brugpassages, als ‘lijm’ tussen de verschillende delen. Opmerkelijk voor die tijd is dat er in het concerto weinig passages zijn waarin de cellist zijn virtuositeit tentoon kan spreiden. Dat weerlegde Schumann als volgt: “Ik kan niet voor virtuozen componeren, ik moet iets anders proberen.”
Schumann verkoos dan ook de benaming Konzertstück, waarmee hij aangaf te willen afstappen van de conventies van het traditionele concerto. Net die atypische benadering maakte deel uit van de kritiek op het werk, waardoor het pas vier jaar na zijn dood in première ging. Hoewel het celloconcerto lange tijd onder het stof bleef liggen, zorgde net het romantische en aparte karakter ervan dat het vandaag een van de vaakst gespeelde concerto’s voor cello is.
Tussen 1888 en 1903 componeerde Strauss maar liefst vijf symfonische gedichten, waarvan Also sprach Zarathustra dankzij de indrukwekkende openingsmaten uitgroeide tot het bekendste. Maar ook Don Quixote kan niet onderdoen: de flamboyante en ironische strijd van Don Quixote en zijn hulpje Sancho Panza, neergeschreven door de beroemde Spaanse schrijver Miguel de Cervantes, blinkt uit in rijke toonschildering en psychologische karakterisering van de personages. In die roman raakt een edelman na het lezen van ridderromans ervan overtuigd dat hij het onrecht in de wereld moet bestrijden. Hij trekt er met zijn strijdros Rosinante en schildknaap op uit en beleeft tal van ingebeelde avonturen.
Strauss verwerkte het verhaal tot een 45 minuten durende compositie in drie delen. In de inleiding is de luisteraar getuige van de geleidelijke achteruitgang van Don Quixotes mentale toestand. Daarop volgen tien variaties die overeenkomen met tien episodes uit de roman, en een epiloog, waarin Don Quixote weer bij zinnen komt en uiteindelijk sterft. Strauss bewijst zijn talent als boetseerder van muzikale gebeurtenissen, personages en hun innerlijke stemmingen aan de hand van een uitzonderlijk rijke en inventieve instrumentatie. Zo wordt Don Quixote weergegeven door een solo cello en soms een viool, krijgen de altviool, klarinet en tenortuba de melodieën van zijn trouwe dienaar Sancho Panza toebedeeld, en verpersoonlijkt een hobo zijn ingebeelde geliefde Dulcinea. Enkele voorbeelden van Strauss’ sprekende orkestratie zijn de blatende schapen in de tweede variatie, de daaropvolgende discussie tussen Don Quichote en zijn hulpje, en zijn vlucht door de lucht in de zevende variatie – hier voegt Strauss een windmachine toe aan het al indrukwekkende orkestapparaat. De compositie eindigt met een aangrijpende sterfscène waarin Don Quixote zijn laatste adem uitblaast in een uitgesponnen en diepe solo voor de cello.
Strauss pende zijn eerste ideeën voor Don Quixote in oktober 1896 neer, en zo’n dik jaar later was de compositie al af. In die periode schreef hij ook al de eerste schetsen voor zijn andere symfonische gedicht Ein Heldenleben, en hij zag beide werken als pendanten van elkaar, enkel volledig te begrijpen wanneer ze naast elkaar geplaatst worden. Waar de heldenmoed in Don Quixote louter fictief is, is ze in Ein Heldenleben menselijk en aards. Ze weerspiegelt de eeuwige innerlijke en uiterlijke strijd van het individu, die troost zoekt in de liefde. Zelf verklaarde Strauss: ‘Ik ben geen held. Ik heb er de kracht niet voor. Ik ben niet geschikt voor de strijd. Het liefst hou ik mij op de achtergrond, op een rustige plaats.’